Het werkwoord to be (Present Simple)
Door «to be» te leren, open je de deur naar eenvoudige, duidelijke en nuttige zinnen. Het is de eerste stap om Engels te spreken!
1.Vormen
1.1Vormen van het werkwoord to be
Het werkwoord (verb) to be is een van de eerste dingen die je in het Engels moet leren, want daarmee maak je eenvoudige zinnen (sentences).
Veel talen hebben in zulke zinnen helemaal geen werkwoord - die zetten de twee delen gewoon naast elkaar (Stacy - student).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| 1e persoon | I am ik ben |
We are wij zijn |
| 2e persoon | You are jij bent |
You are jullie zijn |
| 3e persoon | He/She/It is hij/zij/het is |
They are zij zijn |
Test jezelf
1.2Hoe je een zin maakt
Om een zin (sentence) met het werkwoord (verb) to be te maken, doe je dit:
QW = vraagwoord (where, why, what, when, how enz.)
| Structuur | Voorbeelden | |
|---|---|---|
| + Bevestigend | Onderwerp + am/is/are + ... | I am always at home on Sunday. Op zondag ben ik altijd thuis. |
| - Ontkennend | Onderwerp + am/is/are + not + ... | He is not/isn't at work now. Hij is nu niet op zijn werk. |
| ? Vragend | (QW) + am/is/are + onderwerp + ...? | Where are you? Are you at the railway station? Waar ben je? Ben je op het station? |
Test jezelf
2.Gebruik
2.1Basisinformatie over een persoon
Met het werkwoord (verb) to be geef je de belangrijkste informatie over een persoon.
| Voorbeeld |
|---|
| I am Stacy. Ik ben Stacy. |
| I am a student. Ik ben student. |
| I am 20 years old. Ik ben 20 jaar oud. |
| He is Paul. Hij is Paul. |
| He is a teacher. Hij is leraar. |
| We are friends. Wij zijn vrienden. |
| They are students. Zij zijn studenten. |
| You are 35 years old. Jij bent 35 jaar oud. |
Test jezelf
2.2Informatie over dingen of mensen
Met het werkwoord (verb) to be geef je meer informatie over mensen, dingen of plaatsen.
| Voorbeeld |
|---|
| He is tall and strong. Hij is lang en sterk. |
| They are polite. Zij zijn beleefd. |
| The sky is blue today. De lucht is vandaag blauw. |
| My dog is small. Mijn hond is klein. |
| The book is interesting. Het boek is interessant. |
| She is kind. Zij is aardig. |
| My table is red. Mijn tafel is rood. |
| They are clever. Zij zijn slim. |
| De combinatie to be (am/is/are) + adjective, dus to be plus een bijvoeglijk naamwoord (adjective), komt heel vaak voor in het Engels. Mensen gebruiken het elke dag. |
Test jezelf
2.3Plaats
We gebruiken to be om te zeggen waar iemand of iets is.
| Voorbeeld |
|---|
| I am at home. Ik ben thuis. |
| She is in the park. Zij is in het park. |
| The books are on the table. De boeken zijn op tafel. |
| They are at school. Zij zijn op school. |
| We are in the kitchen. Wij zijn in de keuken. |
Test jezelf
2.4Gevoelens
Je vertelt anderen hoe je je voelt of je vraagt de ander naar zijn gevoelens. Met het werkwoord (verb) to be beschrijf je emoties en stemmingen op een eenvoudige manier.
| Voorbeeld |
|---|
| I am happy. Ik ben blij. |
| She is tired. Zij is moe. |
| We are excited. Wij zijn enthousiast. |
| He is sad. Hij is verdrietig. |
| They are nervous. Zij zijn zenuwachtig. |
| They are angry. Zij zijn boos. |
| He is bored. Hij verveelt zich. |
Test jezelf
3.Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je to be (am, is, are) in het Engels?
Met to be (am, is, are) zeg je wie iemand is, hoe iemand of iets is, waar iemand is en hoe iemand zich voelt. Bijvoorbeeld: «I am a student» (wie), «The book is interesting» (hoe), «She is in the park» (waar) en «We are excited» (gevoel). Ook leeftijd geef je aan met to be: «I am 20 years old».
Am, is of are: wanneer gebruik je welke vorm van to be?
Am hoort bij I, is bij he, she, it en één persoon of ding, en are bij you, we, they en het meervoud (plural). Dus «I am tired», «My dog is small» en «My friends are at school». Het Nederlands heeft jij bent en jullie zijn, maar het Engels heeft voor you maar één vorm: altijd «You are my friend», nooit «You is my friend».
Hoe maak je een ontkenning en een vraag met to be?
In de ontkenning (negative) komt not na am, is of are; in de vraag (question) gaan am, is of are vóór het onderwerp (subject). Dus «He is not at work» of «He isn't at work», niet «He not is at work». Een vraag is «Are you tired?» of «Where are you?», niet «Do you are tired?»: bij to be gebruik je geen do. Die volgorde ken je uit het Nederlands («Ben jij moe?»), maar in het Engels werkt die niet bij elk werkwoord.
Hoe zeg je «ik heb honger» in het Engels, met to be of met have?
Het is «I am hungry»: honger, dorst en kou drukt het Engels uit met to be en een bijvoeglijk naamwoord (adjective), niet met have. In het Nederlands zeg je «ik heb honger» en «ik heb het koud», daarom zeg je snel «I have hunger» of «I have cold». Zeg «I am hungry», «I am thirsty» en «I am cold». Ook «ik heb gelijk» wordt «I am right».

