Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden («⁠personal pronouns⁠») vervangen zelfstandige naamwoorden, zodat je ze niet hoeft te herhalen. «⁠Possessive adjectives⁠» laten zien van wie iets is. Ze zijn heel belangrijk in het dagelijks leven.

1.Persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp

1.1Het onderwerp in de zin

Subject pronouns vervangen specifieke zelfstandige naamwoorden (nouns) - mensen, plaatsen of dingen - zodat je ze niet hoeft te herhalen (zie Parts of Speech en Parts of Sentence). Ze zijn het onderwerp (subject) van een zin (sentence): ze staan vóór het werkwoord (verb) en voeren de handeling (action) uit.

Enkelvoud (singular)

Voornaamwoord Persoon Voorbeeld
I 1e I am a doctor.
Ik ben dokter.
you 2e You are a doctor.
Jij bent dokter.
he 3e · mannelijk He is my brother.
Hij is mijn broer.
she 3e · vrouwelijk She is my sister.
Zij is mijn zus.
it 3e · onzijdig It is my book.
Het is mijn boek.

Meervoud (plural)

Voornaamwoord Persoon Voorbeeld
we 1e We are friends.
Wij zijn vrienden.
you 2e You are doctors.
Jullie zijn dokters.
they 3e · alle geslachten They are my friends.
Zij zijn mijn vrienden.


Let op

  • you is hetzelfde woord in het enkelvoud en het meervoud, en het werkwoord blijft are: you are a doctor (jij bent dokter), you are doctors (jullie zijn dokters).
  • Geslacht bestaat alleen in de 3e persoon enkelvoud. they geldt voor iedereen.
  • Subject pronouns staan vóór het werkwoord. Na een werkwoord heb je object pronouns nodig: I saw him (Ik zag hem), en niet I saw he.

Test jezelf

Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als onderwerp.
Jack is my friend. → _____ is my friend.
Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als onderwerp.
These girls are at home. → _____ are at home.
Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als onderwerp.
Sarah is my sister. → _____ is my sister.

2.Persoonlijke voornaamwoorden als voorwerp

2.1Het voorwerp in de zin

Object pronouns vervangen specifieke zelfstandige naamwoorden (nouns) - mensen, plaatsen of dingen - zodat je ze niet hoeft te herhalen. Ze zijn het voorwerp (object) van een werkwoord (verb) of een voorzetsel (preposition) in een zin (sentence) (zie Parts of Sentence).

Enkelvoud (singular)

Voornaamwoord Persoon Voorbeeld
me 1e Give me the book.
Geef mij het boek.
you 2e I want to tell you a story.
Ik wil jou een verhaal vertellen.
him 3e · mannelijk Give him the book.
Geef hem het boek.
her 3e · vrouwelijk Give the book to her.
Geef het boek aan haar.
it 3e · onzijdig Pass it to my brother.
Geef het aan mijn broer.

Meervoud (plural)

Voornaamwoord Persoon Voorbeeld
us 1e Could your friend help us?
Zou je vriend ons kunnen helpen?
you 2e I will call you guys a bit later.
Ik bel jullie iets later.
them 3e · alle geslachten I agree with them.
Ik ben het met hen eens.


Let op

  • Object pronouns staan na het werkwoord of het voorzetsel, nooit ervoor: I saw him (Ik zag hem), en niet I saw he.
  • you en it zien er hetzelfde uit als de bijbehorende subject pronouns. De plaats in de zin laat zien welke rol ze spelen.
  • her werkt ook als possessive adjective: Give the book to her (Geef het boek aan haar) - voorwerp, en This is her book (Dit is haar boek) - bezit.
  • Na een voorzetsel gebruik je altijd de vorm van de object pronouns: with them (met hen), to me (aan mij), for us (voor ons) - nooit with they, to I.

Test jezelf

Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als voorwerp.
She gives (I) _____ the book.
Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als voorwerp.
I see (she) _____ at the store.
Vul de zin aan met het juiste persoonlijk voornaamwoord als voorwerp.
Can you help (we) _____ with the homework?

3.Bezittelijke voornaamwoorden

3.1Wie is de eigenaar?

Possessive adjectives laten zien wie de eigenaar van iets is en geven antwoord op de vraag Whose? (van wie?)
We gebruiken ze vooral bij lichaamsdelen, kledingstukken en familieleden.

Enkelvoud (singular)

Woord Eigenaar Voorbeeld
my 1e persoon · I It is my book.
Het is mijn boek.
your 2e persoon · you Raise your right hand!
Steek je rechterhand op!
his 3e persoon · he He always takes off his coat here.
Hij doet hier altijd zijn jas uit.
her 3e persoon · she It is her car in the parking lot.
Dat is haar auto op de parkeerplaats.
its 3e persoon · it The hotel has its own spa.
Het hotel heeft zijn eigen spa.

Meervoud (plural)

Woord Eigenaar Voorbeeld
our 1e persoon · we We are leaving our books here.
Wij laten onze boeken hier liggen.
your 2e persoon · you Can I use your cars, guys?
Mag ik jullie auto's gebruiken, jongens?
their 3e persoon · they John and Mary want to find their tablets.
John en Mary willen hun tablets vinden.


Na een possessive adjective volgt altijd een zelfstandig naamwoord

Zo'n woord beschrijft het zelfstandig naamwoord (noun), dus het kan nooit aan het eind van een zin (sentence) staan of alleen voorkomen.

Goed Fout
It is my car.
Het is mijn auto.
This car is my.
Is this your book?
Is dit jouw boek?
Is this book your?
These are our clothes.
Dit zijn onze kleren.
These clothes are our.


Let op

  • its heeft geen apostrof. It's is de verkorte vorm van it is - een heel ander woord.
  • her heeft twee rollen: bezit in this is her car (haar auto) en voorwerp (object) in give it to her (geef het aan haar).
  • Om een bezitswoord aan het eind van een zin te zetten heb je de vorm possessive pronoun nodig, en niet possessive adjective: This car is mine (Deze auto is van mij), These clothes are ours (Deze kleren zijn van ons).

Test jezelf

Vul de zin aan met het juiste bezittelijk voornaamwoord.
He has a book. → This is _____ book.
Vul de zin aan met het juiste bezittelijk voornaamwoord.
She has a cat. → This is _____ cat.
Vul de zin aan met het juiste bezittelijk voornaamwoord.
I have a car. → This is _____ car.

4.Samenvatting

4.1Voornaamwoorden als onderwerp / voorwerp + bezittelijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden (personal pronouns)

Elke persoon heeft drie vormen. Welke je gebruikt, hangt af van het werk dat het woord in de zin (sentence) doet - niet van de betekenis.

Subject - geeft antwoord op Who? / What? - voert de handeling (action) uit
Possessive - geeft antwoord op Whose? - staat vóór een zelfstandig naamwoord (noun)
Object - geeft antwoord op Who? / What? - ondergaat de handeling


1e persoon enkelvoud (singular)

Vorm Woord
Subject I
Possessive my
Object me

I lost my keys, so Anna helped me.
Ik verloor mijn sleutels, dus Anna hielp mij.

2e persoon enkelvoud

Vorm Woord
Subject you
Possessive your
Object you

You forgot your ticket - I saved one for you.
Jij bent je kaartje vergeten - ik heb er een voor jou bewaard.

3e persoon enkelvoud · mannelijk

Vorm Woord
Subject he
Possessive his
Object him

He opened his laptop and I sat next to him.
Hij opende zijn laptop en ik ging naast hem zitten.

3e persoon enkelvoud · vrouwelijk

Vorm Woord
Subject she
Possessive her
Object her

She finished her coffee before I could pay for her.
Zij dronk haar koffie op voordat ik voor haar kon betalen.

3e persoon enkelvoud · onzijdig

Vorm Woord
Subject it
Possessive its
Object it

It wagged its tail when I called it.
Hij kwispelde met zijn staart toen ik hem riep. (In het Nederlands hangt de keuze af van het zelfstandig naamwoord: bij «⁠de hond⁠» wordt het hij, bij «⁠het paard⁠» wordt het het.)

1e persoon meervoud (plural)

Vorm Woord
Subject we
Possessive our
Object us

We packed our bags and the driver waited for us.
Wij pakten onze tassen in en de chauffeur wachtte op ons.

2e persoon meervoud

Vorm Woord
Subject you
Possessive your
Object you

You all know your parts - the director will brief you later.
Jullie kennen allemaal jullie rollen - de regisseur licht jullie later in.

3e persoon meervoud

Vorm Woord
Subject they
Possessive their
Object them

They parked their car and I waved at them.
Zij parkeerden hun auto en ik zwaaide naar hen.

Let op

  • its en it's - its geeft bezit aan, it's betekent it is.
  • her heeft twee rollen - het werkt als possessive adjective én als object pronoun. De enige vorm die dat doet.
  • you verandert nooit - hetzelfde woord in elke vorm, in het enkelvoud en het meervoud.
  • De possessive adjectives hebben hier altijd een zelfstandig naamwoord na zich nodig: my book, en niet my. (mine, yours, hers vormen een aparte groep, de possessive pronouns.)

Test jezelf

Vul de zin aan met de juiste vorm.
This is Maria. I like _____ very much.
Vul de zin aan met de juiste vorm.
Maria is here. _____ bag is on the table.
Vul de zin aan met de juiste vorm.
You are my friend, and I trust _____.

5.Veelgestelde vragen

I, me of my: wat is het verschil tussen persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden in het Engels?

I, he en she zijn het onderwerp (subject), me, him en her het voorwerp (object), en my, his en her tonen de eigenaar. Welke vorm je kiest, hangt af van de rol in de zin: «⁠He opened his laptop and I sat next to him.⁠» Hier doet he iets, his is een bezittelijk voornaamwoord (possessive adjective) en zegt van wie de laptop is, en him staat na het voorzetsel (preposition) next to. Dat lijkt op de Nederlandse voornaamwoorden (pronouns) hij, hem, zijn. You en it zijn als onderwerp en voorwerp gelijk, en her is zowel voorwerp als bezittelijke vorm, net als «⁠haar⁠».

My of mine: mag je «⁠This book is my⁠» zeggen?

Nee, na my komt altijd een zelfstandig naamwoord (noun): «⁠This is my book⁠» of «⁠This book is mine⁠». My, your, his, her, our en their (possessive adjectives) staan vóór een zelfstandig naamwoord. Mine, yours, hers, ours en theirs (possessive pronouns) staan alleen, zoals «⁠de mijne⁠» in het Nederlands, maar zonder the: «⁠This book is mine⁠». Zet ze dus niet vóór een zelfstandig naamwoord: «⁠her book⁠», niet «⁠hers book⁠».

His, her of its: welk bezittelijk voornaamwoord zet je vóór een zelfstandig naamwoord?

Dat hangt af van de eigenaar: his voor een man, her voor een vrouw, its voor een ding en their voor meer personen of dingen. Vóór een zelfstandig naamwoord (noun) hoort een bezittelijk voornaamwoord (possessive adjective): «⁠his car⁠» en «⁠their house⁠», niet «⁠him car⁠» of «⁠they house⁠». In het Nederlands zeg je over een ding ook «⁠zijn⁠» («⁠het hotel en zijn spa⁠»), maar in het Engels is dat its: «⁠The hotel has its own spa⁠». Elke persoon heeft een eigen vorm: I en my, you en your, he en his, she en her, it en its, we en our, they en their.

Its of it's: bezittelijk voornaamwoord of samentrekking?

Its zonder apostrof is het bezittelijk voornaamwoord (possessive adjective) bij it; it's is de korte vorm van it is. Its staat vóór een zelfstandig naamwoord (noun): «⁠The hotel has its own spa⁠», «⁠The dog wagged its tail⁠». It's gebruik je als je ook it is kunt zeggen: «⁠It's cold today⁠» betekent «⁠It is cold today⁠». Het Nederlands heeft geen apart woord voor its (je zegt zijn of haar), dus let goed op: «⁠The cat wants its food⁠», niet «⁠it's food⁠».

He, she of it: welk persoonlijk voornaamwoord (personal pronoun) gebruik je in het Engels voor dingen?

Voor dingen gebruik je in het Engels it, ook als je in het Nederlands hij of zij zegt: «⁠the table⁠» is it, niet he. In het Nederlands zeg je «⁠De tafel is nieuw. Hij is groot⁠», maar in het Engels «⁠The table is new. It is big⁠». Zo ook «⁠The door is open. It is old⁠», niet «⁠She is old⁠». He en she zijn voor mensen. Voor dieren gebruik je meestal it, maar voor je eigen huisdier vaak he of she.

Klaar om dit onderwerp te oefenen?

Download de app en oefen dit onderwerp als een game — met XP, reeksen en directe feedback.