Verwarrende werkwoorden (Confusing verbs)
In het Engels kunnen sommige werkwoorden (verbs) verwarrend zijn, omdat ze vergelijkbare vormen of betekenissen hebben of een ongewoon patroon volgen. Deze werkwoorden leiden vaak tot fouten, zelfs bij moedertaalsprekers.
1.Verwarrende werkwoorden
1.1fall / feel / fill
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| fall - vallen | fell | fallen | naar beneden bewegen, vaak plotseling en zonder controle |
| feel - voelen | felt | felt | iets waarnemen door aanraking of gevoel |
| fill - vullen | filled | filled | iets vol maken of de ruimte erin innemen - regelmatig (regular) werkwoord |
Test jezelf
1.2find / found
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| find - vinden | found | found | iets terugkrijgen wat kwijt was |
| found - oprichten | founded | founded | een organisatie of instelling starten |
Test jezelf
1.3flow / fly
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| flow - stromen | flowed | flowed | van een vloeistof = bewegen |
| fly - vliegen | flew | flown | door de lucht bewegen |
Test jezelf
1.4lay / lie / lie
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| lay - leggen | laid | laid | iets voorzichtig plat neerleggen |
| lie - liggen | lay | lain | plat liggen, gaan liggen - onregelmatig (irregular) werkwoord |
| lie - liegen | lied | lied | dingen zeggen die niet waar zijn - regelmatig (regular) werkwoord |
Test jezelf
1.5leave / live
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| leave - verlaten; laten | left | left | weggaan van een plaats of uit een situatie / iets in een bepaalde toestand of op een bepaalde plaats laten. |
| live - leven | lived | lived | bestaan, in leven zijn |
Test jezelf
1.6raise / rise
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| raise - optillen | raised | raised | iets hoger tillen, een bedrag verhogen, een onderwerp aansnijden |
| rise - stijgen | rose | risen | omhooggaan, toenemen, opstaan |
Test jezelf
1.7strike / stroke
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| strike - slaan | struck | struck | slaan, een klap geven |
| stroke - aaien | stroked | stroked | zachtjes met de hand over iets gaan, vaak figuurlijk |
Test jezelf
1.8wind / wound
| Infinitief | Simple Past | Past Participle | Betekenis |
|---|---|---|---|
| wind - opwinden; kronkelen | wound | wound | een veer, mechanisme enzovoort opwinden; kronkelend of spiraalvormig bewegen |
| wound - verwonden | wounded | wounded | letsel toebrengen |
Test jezelf
2.Veelgestelde vragen
Welke Engelse werkwoorden worden het vaakst door elkaar gehaald?
Het vaakst door elkaar gehaald worden lie en lay, rise en raise, fall en feel, leave en live, en find en found. Ze lijken qua spelling of klank op elkaar, en de vorm Past Simple van het ene werkwoord is soms de infinitief (infinitive) van een ander: "found" is de vorm Past Simple van find, maar found is ook een apart werkwoord dat "oprichten" betekent. Andere paren zijn fly en flow, strike en stroke, en wind en wound. Leer elk werkwoord met de betekenis en alle drie de vormen: "rise - rose - risen", "raise - raised - raised".
Lie of lay: wat is het verschil?
Lie betekent "liggen" en lay betekent "leggen", dus lay heeft een lijdend voorwerp (object) nodig: het ding dat je neerlegt. Het verschil werkt net als bij liggen en leggen. Lastig zijn de vormen: "lie - lay - lain" en "lay - laid - laid", dus "lay" is ook de vorm Past Simple van lie. Zeg "Yesterday I lay on the sofa" en "She laid the book on the table", niet "Yesterday I laid on the sofa". Lie in de betekenis "liegen" is een ander, regelmatig werkwoord (regular verb): "He lied to me."
Rise of raise: is "prices raised" correct?
Nee, zeg "prices rose": rise betekent "stijgen, opstaan" zonder lijdend voorwerp, raise betekent "iets optillen of verhogen" en heeft een lijdend voorwerp (object) nodig. Net als "stijgen" en "verhogen" in het Nederlands zijn het twee verschillende werkwoorden. Rise is onregelmatig (irregular verb): "rise - rose - risen", raise is regelmatig: "raise - raised - raised". Zeg "The sun rose at six" en "She raised her hand", niet "She rose her hand". De vorm "rised" bestaat niet.
Fell of felt: wat is de vorm Past Simple van fall en feel?
De vorm Past Simple van fall (vallen) is "fell" en die van feel (voelen) is "felt": "fall - fell - fallen", "feel - felt - felt". Zeg "He fell off his bike" en "I felt tired yesterday", niet "He felt off his bike" of "I fell tired yesterday". De vormen "falled" en "feeled" bestaan niet. Het werkwoord fill (vullen) lijkt erop, maar is regelmatig (regular verb): "She filled the glass with water."
Found of founded: wat is de vorm Past Simple van find?
De vorm Past Simple van find (vinden) is "found", terwijl "founded" bij een ander werkwoord hoort, found, dat "oprichten" betekent. Find is onregelmatig (irregular verb): "find - found - found", found is regelmatig. Zeg "I found my keys" en "Her grandfather founded the company", niet "I founded my keys" of "I finded my keys". Zo werkt het ook bij wind en wound: "He wound the old clock" (wind - wound - wound, "opwinden"), maar "The bullet wounded the soldier" (wound betekent "verwonden").

