Education

Was of were? To be in de past simple uitgelegd

Wanneer zeg je was en wanneer were? Alle vormen van to be in de past simple, ontkenningen en vragen zonder did, there was/were en de fouten die Nederlandstaligen vaak maken, met oefeningen en antwoorden.

#A1 #A2 #Past Simple
Was of were? To be in de past simple uitgelegd

Het werkwoord to be (zijn) heeft in de past simple maar twee vormen: was en were. Was gebruik je bij I, he, she en it en bij elk onderwerp in het enkelvoud (my mum, the film). Were gebruik je bij you, we en they en bij elk onderwerp in het meervoud (my parents, the tickets). Een ontkenning en een vraag maak je zonder did: I wasn't tired. Were you at home? Pas op: het Nederlandse ‘was’ lijkt precies op het Engelse was, maar je gebruikt het bij meer personen. ‘Jij was’ en ‘u was’ worden in het Engels you were. In schoolboeken heet deze tijd ook simple past of past tense: het is dezelfde tijd. Hieronder vind je de tabel met alle vormen, de zinnen die Nederlandstaligen in het Engels het vaakst verkeerd bouwen en vier oefeningen met antwoorden.

1.Was of were: de regel in één tabel

Persoon Past simple van to be Nederlands
I I was ik was
you you were jij was / je was / u was
he / she / it he was, she was, it was hij / zij / het was
we we were wij waren
you you were jullie waren
they they were zij waren

In de present simple heeft to be drie vormen (am, is, are), in de past simple nog maar twee. Het snelste ezelsbruggetje:

  • Waar in de present simple am of is staat, staat in de past simple was: I am → I was, she is → she was.
  • Waar in de present simple are staat, staat in de past simple were: you are → you were, they are → they were. Are en were eindigen allebei op -re.

Wil je de vormen in de present simple nog even zien? Kijk dan bij am, is en are: het werkwoord to be in de present simple.

Pas op bij ‘jij was’: you were, nooit you was

In het Nederlands zeg je ‘jij was’ en ‘u was’, met dezelfde vorm als ‘ik was’. Daarom denken veel Nederlandstaligen: één persoon, dus was. Fout. In het Engels is er voor ‘jij’, ‘jullie’ en ‘u’ maar één woord, you, en you krijgt altijd were:

  • ‘Jij was gisteren niet op school.’ → You weren't at school yesterday.
  • ‘Waren jullie moe?’ → Were you tired?
  • ‘U was erg vriendelijk, mevrouw Jansen.’ → You were very kind, Mrs Jansen.

You was hoor je soms in liedjes en in dialecten, maar op school en op een examen is het fout.

Eén onderwerp, één vorm: was bij enkelvoud, were bij meervoud

Niet alleen voornaamwoorden bepalen de vorm. Kijk of het onderwerp enkelvoud of meervoud is:

  • My brother was ill. (my brother = he)
  • My brothers were ill. (my brothers = they)
  • The weather was great. (the weather = it)
  • My friend and I were at the cinema. (my friend and I = we)

Woorden als everybody, somebody, nobody en everything zijn enkelvoud en krijgen dus was, net als ‘iedereen was’ in het Nederlands: Everybody was happy. (Iedereen was blij.)

Een paar woorden zijn in het Nederlands enkelvoud, maar in het Engels meervoud. Die krijgen were:

Nederlands Engels
Mijn broek was te lang. My trousers were too long. (Amerikaans: pants)
Mijn spijkerbroek was nat. My jeans were wet.
Mijn bril was kapot. My glasses were broken.
De schaar was bot. The scissors were blunt.
De politie was erg behulpzaam. The police were very helpful.

2.Bevestigend, ontkennend en vragend met was / were

I / he / she / it you / we / they
+ bevestigend She was at school. They were at school.
– ontkennend She wasn't at school. They weren't at school.
? vragend Was she at school? Were they at school?
kort antwoord Yes, she was. / No, she wasn't. Yes, they were. / No, they weren't.

Ontkenning: wasn't en weren't

Je zet er gewoon not achter: was not (kort wasn't), were not (kort weren't). In gesprekken, berichtjes en e-mails gebruik je bijna altijd de korte vorm.

  • I wasn't hungry. (Ik had geen honger.)
  • The shops weren't open. (De winkels waren niet open.)

Vragen: was / were vóór het onderwerp

Bij to be werkt een vraag net als in het Nederlands: het werkwoord en het onderwerp wisselen van plaats (‘Jij was thuis.’ → ‘Was jij thuis?’).

  • You were at home. → Were you at home?
  • Where were you last night? (Waar was je gisteravond?)
  • How was your weekend? (Hoe was je weekend?)
  • Why was he so angry? (Waarom was hij zo boos?)

Vraag je met who of what naar het onderwerp, dan gebruik je was, ook als het om meerdere personen gaat: Who was at the party? – Tom, Lisa and Ben were.

Op een ja/nee-vraag geef je in het Engels vaak een kort antwoord met hetzelfde werkwoord: Were you at home? – Yes, I was. / No, I wasn't. Dus niet Yes, I were en ook niet Yes, I did.

Geen did bij was en were

Bij bijna alle andere werkwoorden heb je in de past simple voor een ontkenning en een vraag het hulpwerkwoord did nodig (I didn't go. Did you go?). Bij to be niet. Was en were doen dat zelf:

  • ✗ I didn't was at home. ✓ I wasn't at home.
  • ✗ Did you were tired? ✓ Were you tired?
  • ✗ Did she be late? ✓ Was she late?

Hoe did bij de andere werkwoorden werkt, leggen we uit op de pagina past simple: regelmatige en onregelmatige werkwoorden, ontkenningen en vragen met did.

3.There was of there were: ‘er was’ en ‘er waren’ in het Engels

Goed nieuws: hier helpt het Nederlands je. Je zegt ‘er was een probleem’ maar ‘er waren veel mensen’, en in het Engels werkt het precies zo:

  • There was + enkelvoud: There was a problem. (Er was een probleem.)
  • There were + meervoud: There were a lot of people. (Er waren veel mensen.)
  • There was + ontelbaar zelfstandig naamwoord, zoals water, money, time, traffic: There was a lot of traffic. (Er was veel verkeer.)

Ontkenning en vraag: There wasn't any milk. Were there any questions?

Twee zinnen waarin het Nederlands en het Engels toch uit elkaar gaan:

  • ‘Het waren mijn ouders.’ → It was my parents. Na it staat hier was, ook als er een meervoud volgt. (Who was at the door? – It was my parents.)
  • ‘Dat waren mooie tijden.’ → Those were good times. Hier wordt ‘dat’ in het Engels meervoud: those, niet that. En na those volgt were.

In losse spreektaal hoor je soms there was voor een meervoud (there was loads of people), maar op school en op een examen is het there were.

4.Typische fouten: Nederlandse zinnen die je in het Engels anders bouwt

De meeste fouten ontstaan niet bij de tabel hierboven, maar in zinnen waarin het Nederlands een ander werkwoord of een andere tijd gebruikt dan het Engels.

‘Ik ben in 2012 geboren’ → I was born in 2012

In het Nederlands zeg je ‘ik ben geboren’, met de tegenwoordige vorm ‘ben’. In het Engels is je geboorte voorbij, dus gebruik je was / were:

  • ✗ I am born in 2012. ✓ I was born in 2012.
  • ✗ When are you born? ✓ When were you born? (Wanneer ben je geboren?)
  • ✓ My parents were born in Antwerp.

‘Ik ben gisteren ziek geweest’ → I was ill yesterday

In het Nederlands vertel je over iets wat voorbij is vaak met ‘ben … geweest’: ‘Ik ben gisteren ziek geweest.’ ‘We zijn vorige zomer in Rome geweest.’ Vertaal je dat woord voor woord, dan kom je uit bij de present perfect (have been), en die past niet bij een afgesloten tijdstip zoals yesterday of last summer:

  • ✗ I have been ill yesterday. ✓ I was ill yesterday.
  • ✗ We have been in Rome last summer. ✓ We were in Rome last summer.

Wanneer je wél have been gebruikt, lees je op de pagina present perfect of past simple: welke tijd kies je?.

‘Ik had honger’, ‘Ik had het koud’ → I was hungry, I was cold

Veel toestanden beschrijf je in het Nederlands met hebben, met een wederkerend werkwoord of met een andere constructie, maar in het Engels met to be:

Nederlands Engels niet
Ik had honger. I was hungry. I had hunger.
Ik had dorst. I was thirsty. I had thirst.
Je had gelijk. You were right. You had right.
Ik had het koud. I was cold. I had it cold.
Ik had het warm. I was hot. I had it warm.
Ik verveelde me. I was bored. I bored myself.
Ik was jarig. It was my birthday. I was birthday.
Hij was tien. He was ten (years old). He was ten years.

Let op bij bored: I was bored betekent ‘ik verveelde me’, I was boring betekent ‘ik was saai’: dan verveelden de anderen zich.

Andere veelgemaakte fouten

Fout Goed Waarom
You was late. You were late. you krijgt altijd were
The children was in the garden. The children were in the garden. children is meervoud
My glasses was broken. My glasses were broken. glasses is in het Engels meervoud
I didn't was there. I wasn't there. geen did bij was / were
Was you at home? Were you at home? you → were, ook in een vraag
Yes, I were. Yes, I was. I → was, ook in een kort antwoord
There was many cars. There were many cars. cars is meervoud

Uitspraaktip: de Engelse w is niet de Nederlandse w. In Nederland raakt bij de ‘w’ in ‘was’ je onderlip meestal je boventanden. In Vlaanderen spreken veel mensen de ‘w’ al met twee lippen uit, en dat zit dichter bij het Engels. Bij de Engelse w raken je lippen je tanden helemaal niet: je maakt je lippen rond, alsof je ‘oe’ zegt. Was klinkt als /wɒz/, in een zin vaak kort als /wəz/, en eindigt op een zoemende z, niet op een s. Were /wɜː/ rijmt op her. Verwar het niet met where (rijmt op air) en we're (rijmt op here).

5.Vooruitblik: was / were in andere constructies

Was en were betekenen niet alleen ‘was / waren’. Ze zijn ook hulpwerkwoord in twee andere constructies. De regel blijft hetzelfde: was bij I/he/she/it, were bij you/we/they.

  • was / were + -ing = past continuous (iets was op dat moment aan de gang): I was reading when you called. In het Nederlands mag je kiezen: ‘Ik was aan het lezen toen je belde’, ‘Ik zat te lezen toen je belde’ of gewoon ‘Ik las toen je belde’. In het Engels heb je hier de -ing-vorm nodig. Meer daarover bij past continuous: was / were + -ing.
  • was / were + voltooid deelwoord = lijdende vorm in de verleden tijd: The house was built in 1900. In het Nederlands zeg je ‘Het huis werd in 1900 gebouwd’ of ‘Het huis is in 1900 gebouwd’. In het Engels wordt dat allebei was built: ✗ The house became built. ✗ The house is built in 1900. Meer daarover bij de passive voice (lijdende vorm) in het Engels.

En dan is er nog If I were you … (Als ik jou was …). Dat gaat niet over het verleden: het is een if-zin over een situatie die niet echt is (second conditional). In het Nederlands zeg je ‘als ik jou was’, maar in het Engels gebruik je daar ook bij I liefst were: If I were you, I'd take the train. Meer daarover bij If I were you: de second conditional.

6.Oefeningen met was en were (met antwoorden)

Vier oefeningen met antwoorden om open te klikken: gaten invullen, ontkennende en vragende zinnen maken, there was / there were en zinnen uit het Nederlands vertalen.

Oefening 1. Vul was of were in

  1. I ___ at home all day yesterday.
  2. You ___ right about the film.
  3. My sister ___ very tired after work.
  4. We ___ in Utrecht last weekend.
  5. My glasses ___ in my bag.
  6. It ___ cold and rainy.
  7. Tom and Anna ___ late for school.
  8. Everybody ___ happy at the end.
  9. Where ___ you at 8 o'clock?
  10. My grandparents ___ born in Ghent.
Antwoorden oefening 1 (klik om te openen) 1: was
2: were (you → were, ook als je één persoon bedoelt)
3: was
4: were
5: were (glasses is in het Engels meervoud)
6: was
7: were (Tom and Anna = they)
8: was (everybody is enkelvoud)
9: were
10: were

Oefening 2. Maak de zin ontkennend en vragend

  1. She was at the party.
  2. They were angry.
  3. The test was difficult.
  4. You were in London.
  5. The windows were open.
  6. Your dad was at work.
Antwoorden oefening 2 (klik om te openen) 1: She wasn't at the party. / Was she at the party?
2: They weren't angry. / Were they angry?
3: The test wasn't difficult. / Was the test difficult?
4: You weren't in London. / Were you in London?
5: The windows weren't open. / Were the windows open?
6: Your dad wasn't at work. / Was your dad at work?

Oefening 3. There was of there were?

  1. ___ a cat in the garden.
  2. ___ twenty students in my class.
  3. ___ a lot of snow last winter.
  4. ___ any problems with the car?
  5. ___ no bread in the kitchen.
  6. ___ two missed calls on my phone.
Antwoorden oefening 3 (klik om te openen) 1: There was (a cat = enkelvoud)
2: There were (twenty students = meervoud)
3: There was (snow is ontelbaar)
4: Were there (vraag, problems = meervoud)
5: There was (bread is ontelbaar)
6: There were (two missed calls = meervoud)

Oefening 4. Vertaal in het Engels

  1. Waar was je gisteren?
  2. Ik ben in 2011 geboren.
  3. We hadden erg veel honger.
  4. Er waren veel mensen in het park.
  5. Hoe was de film?
  6. Ik had het koud.
  7. Mijn zus is vorige week ziek geweest. (Let op: geen present perfect.)
  8. Waren jullie op vakantie?
  9. Je had gelijk.
  10. Mijn broek was te kort.
Antwoorden oefening 4 (klik om te openen) 1: Where were you yesterday?
2: I was born in 2011.
3: We were very hungry.
4: There were a lot of people in the park.
5: How was the film? (Amerikaans: the movie)
6: I was cold.
7: My sister was ill last week. (Amerikaans: was sick)
8: Were you on holiday? (Amerikaans: on vacation)
9: You were right.
10: My trousers were too short. (Amerikaans: pants)

7.Hoe ga je verder?

Ging het in de oefeningen mis bij you of bij meervoud, kijk dan nog eens naar de tabel bovenaan: was alleen bij I en he/she/it (enkelvoud), verder were. Daarna zijn de andere werkwoorden aan de beurt. Hoe je de past simple maakt met -ed, met onregelmatige vormen en met did, leer je op de pagina past simple met uitleg in het Nederlands, video's en oefeningen. De belangrijkste onregelmatige vormen, zoals went, saw en had, oefen je bij de onregelmatige werkwoorden in het Engels. En wil je zien hoe de past simple tussen de andere tijden past, bekijk dan het overzicht van alle Engelse tijden.

Minder lezen, meer oefenen

Download de app en maak van wat je net hebt gelezen een spel, met XP, reeksen en directe feedback.